Updates

Aandelen Nederland

Flow Traders

Advies
houden
Aandelen Nederland

AMG

Advies
kopen
Aandelen Nederland

TomTom

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Johnson & Johnson

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Alphabet

Advies
kopen
Aandelen Internationaal

Microsoft

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Amazon

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Facebook

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Apple

Advies
houden
Aandelen Nederland

Fagron

Advies
kopen
Aandelen Internationaal

LVMH

Advies
kopen

Updates

Aandelen Nederland

Flow Traders

Advies
houden
Aandelen Nederland

AMG

Advies
kopen
Aandelen Nederland

TomTom

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Johnson & Johnson

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Alphabet

Advies
kopen
Aandelen Internationaal

Microsoft

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Amazon

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Facebook

Advies
houden
Aandelen Internationaal

Apple

Advies
houden
Aandelen Nederland

Fagron

Advies
kopen
Aandelen Internationaal

LVMH

Advies
kopen

100% rendement in 10 jaar tijd dankzij ETF’s

0 0 Leestijd ongeveer

De maand mei staat bij Beleggers Belangen in het teken van ETF’s. Wij trappen deze themamaand af met een omslagverhaal dat laat zien waarom deze beleggingsvorm zo aantrekkelijk is.

De redactie van Beleggers Belangen is erg enthousiast over ETF’s. We vinden dat beleggers er te weinig gebruik van maken en willen het kennisniveau erover vergroten. Het doel is uiteraard dat het rendement van de beleggingsportefeuille omhoog zal gaan.

Een ETF is erop gericht het rendement van een index zo nauwkeurig mogelijk na te bootsen.Wilt u dus hetzelfde rendement halen als de AEX index, dan koopt u een AEX-ETF. Wijzelf zouden voor onze ETF-portefeuille echter nooit een ETF op de AEX kopen, omdat dit een slecht opgebouwde index is. Complete sectoren ontbreken, zoals de auto-industrie, mijnbouw en farma. Daarnaast worden de koersen binnen de AEX bepaald door grote bedrijven. De combinatie Shell en Unilever is goed voor 30% van de AEX. Gebeurt er iets met één van die bedrijven, dan heeft dat onmiddellijk gevolgen voor het rendement op de hele ETF.

Wereldwijd beleggen 

Wij zijn een groot voorstander van wereldwijd beleggen. De hoofdreden is dat er op lange termijn altijd een goed rendement is. Dit komt omdat de spreiding enorm is. Daardoor kunnen faillissementen,  fraudegevallen en zeepbellen geen permanente schade aanrichten. Het grootste risico op lange termijn zijn immers beleggingen die niet meer herstellen van hun verliezen.

Een goed voorbeeld daarvan is de Griekse beurs. Die is de afgelopen twintig jaar met 79,6% gedaald. Zelfs met een jaarlijkse stijging van 12% duurt het nog 21 jaar voordat het break-evenpunt is bereikt. En dan zijn er nog de écht problematische gevallen, zoals de Cypriotische hoofdgraadmeter, die meer dan 90% heeft verloren.

De afgelopen honderden jaren hebben ons geleerd dat 7% een realistisch gemiddeld jaarrendement is en dat er slechts een klein risico bestaat om op de extreem lange termijn met aandelen geld te verliezen. Zo heeft data-uitgever Global Financial Data (GFC) berekend dat het gemiddelde rendement met aandelen tussen 1601 en 2019 6,98% bedroeg. De beste periode deed zich voor in het tijdperk van globalisering, vanaf 1981 tot nu, met een gemiddeld jaarrendement van 9,8%. De slechtste periode viel in het tijdperk van het mercantilisme, tussen 1700 en 1799, met een gemiddeld jaarlijks rendement van 5,1%. GFC baseert zich op aandelen uit 24 landen en gebruikt een weging op basis van beurswaarde.

Credit Suisse-jaarboek 

Andere onderzoeken ondersteunen het beeld dat een mandje met wereldwijde aandelen de beste spreiding biedt met het minste risico. Zo bevat het Credit Suisse-jaarboek een eigen wereldindex (samengesteld door onderzoekers van de London School of Economics) van 22 landen, exclusief de Verenigde Staten. Deze index heeft tussen 1900 en 2019 een gemiddeld rendement behaald van 7,3%. De Verenigde Staten deden het weliswaar maar liefst ruim 2 procentpunt beter, met een gemiddeld jaarrendement van 9,5%, maar ook zonder Amerikaanse aandelen is het rendement van de wereldwijde index nog altijd aanzienlijk.

Interessant aan het onderzoek van Credit Suisse is dat er ook de enige aandelenindices in zijn meegenomen die ooit naar nul zijn gegaan: Rusland (1917, na de Russische Revolutie) en China (1949, na de Maoïstische machtsovername). Beleggen in een land kan fout gaan, maar voor wereldwijd beleggen zijn zelfs revoluties en wereldoorlogen op lange termijn niet fataal. Nemen wij de Verenigde Staten weer mee, dan is er in de wereldindex tussen 1900 en 2019 geen enkele verliesperiode van tien jaar geweest. Kijken we niet naar jaarkoersen maar naar dagkoersen, dan moest de grootste pechvogel, die zijn geld investeerde in de eerste twee weken van september 1929, tot 1943 wachten om weer break-even te zijn.

Waardeverdubbeling

Zo’n extreme uitschieter kan voorkomen worden door nooit al het geld in één keer te investeren. De twee methoden die wij adviseren zijn 1) structureel een bepaald percentage (bijvoorbeeld 10% van het inkomen) investeren en 2) als er een groot geldbedrag vrijkomt, de aankopen de spreiden over een aantal jaren.

Wij denken dat de trend van ongeveer 7% per jaar nog steeds intact is. Er zijn immers nog veel (technologische) ontwikkelingen aan te wijzen die beursgenoteerde bedrijven kunnen helpen om de omzet en winst duurzaam te laten groeien, zoals kunstmatige intelligentie, augmented reality, virtual reality en blockchain. Voor wereldwijde aandelen rekenen wij daarom voor een periode van minimaal vijftien jaar op 7% gemiddeld rendement per jaar.

Deze 7% zal echter bijna nooit op de borden komen. Of het is een stuk meer, als beleggers enthousiast zijn, of het is een stuk minder, als beleggers de toekomst vrezen. De grootste uitschieters voor wereldwijde aandelen uit het verleden zagen we in 2008 (-41,4%) en 1933 (+68,9%). Hoe meer tijd er verstrijkt, hoe meer het gemiddelde richting de 7% per jaar zal bewegen.

Dit betekent dat de portefeuille elke tien jaar in waarde verdubbelt omdat er ieder jaar 7% rendement wordt gemaakt over een hoger bedrag. Met de huidige lage rentes kosten veilige obligaties alleen maar geld. Een belegger die alleen in wereldwijde aandelen zit, krijgt echter op de lange termijn een mooi rendement – als hij tenminste in een dramatisch jaar als 2008 niet alles verkoopt.

De index van ontwikkelde landen (rode lijn) blijft de index van opkomende markten (zwarte lijn) voor, maar de combinatie van de twee geeft het laagste risico.

Beleggingsfondsen 

Het valt echter niet mee om zelf een aandelenportefeuille op te bouwen met een goede wereldwijde spreiding. Daarom zijn de meeste beleggers al snel aangewezen op ETF’s of beleggingsfondsen, die een dergelijke spreiding tegen een lager bedrag kunnen realiseren. Voor het behalen van 7% rendement op aandelen vallen beleggingsfondsen echter af. Weliswaar kunnen ze met het nodige geluk een paar jaar bovengemiddeld presteren, maar hoe langer het fonds bestaat, hoe groter de kans wordt dat de beleggingsrendementen achterblijven bij de benchmark. S&P houdt bij hoeveel beleggingsfondsen erin slagen de S&P500 te verslaan, en de afgelopen vijftien jaar is dat slechts 7,6% van de fondsen gelukt. Het is zo goed als onmogelijk om van tevoren te zeggen welke fondsen dit zullen zijn. Daarom adviseren we om te beleggen in een ETF die gewoon de index volgt. Dat is beduidend goedkoper, en de spreiding is doorgaans even goed als bij een beleggingsfonds.

Er zijn vele duizenden ETF’s op de wereld, en dat kan de keuze ernstig bemoeilijken. Daarom hanteren wij zeven regels om te bepalen wat de juiste ETF is. De eerste is kijken naar de index en de wegingsmethodiek. De bekendste en meest gebruikte manier om een index op te bouwen is te kijken naar de beurswaarde. Zo maakt Apple, met een beurswaarde van $977 mrd, deel uit van de S&P500 met de grootste 500 bedrijven van de Verenigde Staten. Die index vertegenwoordigt een totale beurswaarde van $23,8 bln, want betekent dat Apple voor 4,1% meeweegt in de S&P500. Een andere manier is om elk bedrijf even zwaar te wegen. In het voorbeeld met de S&P500 zou dat betekenen dat Apple slechts 0,2% van de index uitmaakt.

Gelijkgewogen  of niet?

De Nederlandse ETF-aanbieder Think is een voorstander van zo’n gelijkgewogen index. Omdat er op die manier minder concentratie plaatsvindt, is er een betere spreiding, zo luidt de redenering. Wij zijn het hier mee eens. Een ander argument van Think voor gelijkgewogen indices is dat daardoor de kans afneemt dat je belegt in een zeepbel. Ook dit onderschrijven wij. Een zeepbel doet zich immers vaak voor in een sector waar de verwachtingen veel te hoog zijn opgelopen.

Zo stuwden beleggers eind jaren ’90 de koers-winstverhoudingen van technologiebedrijven tot ongekende hoogte op. De koers-winstverhouding van defensieve bedrijven daalden. Een index die is samengesteld op basis van beurswaarde heeft onder zulke omstandigheden een te grote weging van overgewaardeerde bedrijven en een te kleine weging van bedrijven die ondergewaardeerd zijn. Een gelijkgewogen index koopt juist meer goedkope aandelen en minder aandelen die te duur zijn.

Sinds 1 januari 1990 bestaat er een S&P500-index die gelijkgewogen is. Het rendement voor de ‘gewone’ S&P500 is sinds die tijd 1388% en dat van de gelijkgewogen index 1329%. De enige periode waarin het rendement tussen de twee indices substantieel anders was, zagen we tijdens de technologiezeepbel in de laatste vier jaar van de vorige eeuw. De S&P500 steeg toen met 155%, de gelijkgewogen variant met 80%. In de eerste vier jaar van deze eeuw, na het knappen van de technologiezeepbel, daalde de S&P500 met 20%, terwijl de gelijkgewogen index 18% steeg. Conclusie: over een periode van dertig jaar is er bij de S&P500 geen significant verschil tussen marktgewogen of gelijkgewogen. Toch hebben wij een voorkeur voor marktgewogen indices, om redenen die we verderop nog zullen toelichten.

Replicatiemethode

Het tweede selectiecriterium  is de replicatiemethode. Dit is de manier waarop de aanbieder het rendement van de index nabootst. De simpelste manier is het kopen van alle aandelen. Een andere manier is de kleinste aandelen over te slaan, omdat bijvoorbeeld 90% van de aandelen voor 99% van het rendement kunnen zorgen. De belangrijkste reden om dit te doen, is dat het transactiekosten bespaart. Beleggers Belangen heeft echter een grote voorkeur voor volledige aankoop.

Het derde criterium is de tracking difference, het rendementsverschil tussen de ETF en de onderliggende index. Hoe dichter deze rendementen bij elkaar liggen, hoe beter. De kosten vormen het vierde selectiecriterium: hoe lager, hoe beter, want dat zorgt voor extra rendement omdat er meer geld belegd kan worden.

Omvang 

Ons vijfde selectiecriterium is omvang. Wij willen dat een ETF minimaal €500 mln onder beheer heeft. Het risico met een kleiner fonds is dat het gesloten wordt of, nog erger, wordt samengevoegd met een ander fonds waardoor het beleggingsbeleid kan veranderen. Hoe groter de fondsen, hoe meer de vaste kosten van een ETF kunnen worden verdeeld.

Nummer zes is de verhandelbaarheid. Wij hebben gekeken naar fondsen waar de belegger altijd in en uit kan stappen. Daarnaast hebben wij fondsen geselecteerd met een beursnotering in Amsterdam. Het grote voordeel hiervan is dat er brokers in Nederland zijn die geen beheer- en transactiekosten rekenen voor ETF’s die in Amsterdam genoteerd staan.

Het laatste selectiecriterium dat wij gebruiken is het uitlenen van aandelen. In potentie is dit een risico. Maar als een aanbieder dit voorzichtig doet en de opbrengst deelt met de belegger, zien wij dat als een pluspunt.

Selectie

Op basis van deze selectiecriteria formuleren we een top-3 van aantrekkelijke ETF’s die wereldwijd beleggen. Op plek 3 is dat Think Global Equity. Het grootste nadeel van deze ETF is dat, doordat hij gelijkgewogen is, grote en belangrijke Amerikaanse bedrijven als Microsoft, Google, Apple, Facebook, Netflix en Amazon elk jaar worden afgeroomd om de wegingen op hetzelfde niveau te houden. Dit kost elk jaar rendement (zie tabel) en op de lange termijn loopt dit flink op. Het is aantrekkelijk om te beleggen in bedrijven die de wereld domineren. In de toekomst zal dat misschien een andere sector zijn dan Technologie, maar ook die sector wil je niet afromen. Zie hier ons eerste argument tegen gelijkgewogen ETF’s en vóór marktgewogen ETF’s.

Een nog belangrijker reden om gelijkgewogen ETF’s bij voorkeur te negeren is dat de twee besproken langetermijnonderzoeken allebei kijken naar indices op basis van beurswaarde. Het zijn dus die indices (en ETF’s) waar bovengenoemde prognose van 7% langetermijnrendement in de eerste plaats betrekking op heeft.

Dat brengt ons bij de top-2. Die bestaat uit twee marktgewogen indices, de iShares Core MSCI World en de Vanguard FTSE All-World. Deze twee zijn aan elkaar gewaagd. Het voordeel van iShares is het grote beheerde vermogen, het voordeel van Vanguard zijn de 3175 verschillende aandelen. Daarnaast zijn iShares en Vanguard de twee grootste ETF-partijen op de wereld, waardoor het bedrijfsrisico klein is. De lagere kosten van de iShares-ETF zorgen er echter voor dat iShares in een fotofinish als winnaar uit de bus komt.

Koopwaardige Wereldwijde ETF’sKoopwaardige wereldwijde ETF's

Hoewel de Think Global Equity (groene lijn) geen dividendbelasting betaalt, ligt het rendement lager dan dat van de iShares Core MSCI World ETF (rode lijn) en de Vanguard FTSE All-World ETF (zwarte lijn).

Alert

Selecteer de onderwerpen waarover u een Beleggers Belangen alert wilt ontvangen. Uw selectie wordt direct bewaard en kunt u op ieder moment zelf aanpassen.

Verder lezen?

Blijf dagelijks op de hoogte van het laatste beleggingsnieuws. Ontdek Beleggers Belangen nu vanaf €10,95 per maand. Bent u nieuw en wilt u eerst meer informatie? Klik dan hier! 

 Bekijk onze abonnementen hier!