Updates

Aandelen Internationaal

Verizon

Advies
verkopen
Aandelen Internationaal

ATT

Advies
verkopen
Aandelen Internationaal

Disney

Advies
verkopen
Aandelen Internationaal

HSBC

Advies
houden
Aandelen Nederland

IMCD

Advies
houden
Aandelen Nederland

KPN

Advies
verkopen
Aandelen Internationaal

Deutsche Post

Advies
verkopen
image description
Opinie Harry Geels, 31 mrt 10:00

Multifactor-ETF’s rukken op

0 0 Leestijd ongeveer

Updates

Aandelen Internationaal

Verizon

Advies
verkopen
Aandelen Internationaal

ATT

Advies
verkopen
Aandelen Internationaal

Disney

Advies
verkopen
Aandelen Internationaal

HSBC

Advies
houden
Aandelen Nederland

IMCD

Advies
houden
Aandelen Nederland

KPN

Advies
verkopen
Aandelen Internationaal

Deutsche Post

Advies
verkopen

In 2017 groeide het belegde vermogen in strategische bèta-ETF’s, die een andere index volgen dan de traditionele beurswaarde gewogen index, in Europa met 17%. De laatste tijd zijn vooral de multifactor-ETF’s populair.

Passief beleggen is in alle beleggingscategorieën aan een grote opmars bezig. Tot enkele jaren geleden stond passief beleggen, middels indexfondsen en ETF’s, gelijk aan het volgen van een beurswaarde- ofwel marktkapitalisatie gewogen index. Anders gezegd: hoe groter het aandeel op de beurs, hoe meer gewicht het krijgt in de index. Zo’n tien jaar geleden kwamen steeds meer wetenschappelijke onderzoeken naar buiten waaruit bleek dat een beurswaarde gewogen index niet optimaal is. Als beleggers namelijk bepaalde aandelen of sectoren najagen, stijgen de koersen en daarmee dus de beurswaarden van die aandelen. Gevolg: passieve beleggers beleggen daarom relatief (te) veel in opgelopen, lees te dure, aandelen. Dit leidt vervolgens weer tot lagere rendementen in de toekomst.

Alternatieven

Vermogensbeheerders zijn toen, al dan niet tezamen met indexproviders, alternatieve ook wel strategische bèta-indices gaan ontwikkelen. De weging in de index vindt daarbij op een andere manier plaats.

Grofweg worden er vijf (strategische bèta) factoren gebruikt voor een alternatieve weging: size (grootte), value (waarde), momentum, quality (kwaliteit) en low volatility (lage volatiliteit). Er zijn er meer, maar dit zijn de meest voorkomende. Dividend is ook een bekende factor, hoewel deze vaak onder het bredere vakje ‘value’ terecht komt. Bij de low volatility-factor krijgen aandelen met minder beweeglijkheid een relatief groter gewicht in de index dan volatiele aandelen.

Volgens de wetenschap hebben aandelen met een lagere volatiliteit op de lange termijn een hoger rendement dan hoogvolatiele aandelen. Dit noemt men een anomalie, want beweeglijkheid is risico en hoe beweeglijker, hoe risicovoller en hoe hoger het rendement voor beleggers zou moeten zijn. Maar dit is theorie, de praktijk is kennelijk anders. Zo blijkt verder dat waardeaandelen op lange termijn meer rendement geven dan groeiaandelen. Ook quality moet geld opleveren, maar voor kwaliteit bestaat geen eensluidende definitie. Meestal gaat het om een combinatie van goede scores op gebied van duurzaamheid en stabiele winstgroei.

Sterke marktgroei

Door het overtuigende wetenschappelijke bewijs dat beleggen op basis van een factor leidt tot hogere rendementen en/of lagere risico’s – en eerlijk is eerlijk ook door goede marketing van aanbieders van strategische bèta-producten – is de markt voor factor-ETF’s sterk gegroeid. Eind 2017 waren er volgens Morningstar op de Europese markt 443 strategische bèta-fondsen, waarvan 382 ETF’s en 61 open-end indexfondsen (eind 2016 waren dat er nog in totaal 393). In Europa nam in 2017 het beheerd vermogen in factorfondsen met €8,65 mrd toe, ofwel een groei van 17%.

Ondanks de sterke groei hebben strategische bèta-producten nog een lange weg te gaan in vergelijking met ‘gewoon’ passief beleggen. Strategische bèta-producten maken in Europa in termen van beheerd vermogen een kleine 5% uit van het totaal aan passieve beleggingsproducten. Aanvankelijk zijn er ETF’s gebouwd op alternatieve indices die werden samengesteld op basis van één factor. De momentum-ETF’s volgen bijvoorbeeld indices waarin de aandelen met het hoogste koersmomentum het hoogste gewicht kregen. En in hoogdividend-ETF’s krijgen de aandelen met het hoogste dividend of hoog en stabiel dividend het grootste gewicht.

Hoewel het wetenschappelijke bewijs voor dergelijke ETF’s overtuigend is, hebben diverse beleggers toch moeite om ze te kopen. Het grote probleem is dat een bepaalde factor soms lange tijd kan afwijken van de ‘gewone’ index. Dat zien we de laatste jaren bijvoorbeeld met de factor value. Waardebeleggen is al jaren uit de gratie. Momentum en low volatility zijn typisch ook grillige factoren. Op lange termijn genereren ze inderdaad outperformance, maar daar moet de belegger soms jaren op wachten. Beleggers kunnen dit probleem oplossen door in meerdere factorfondsen tegelijkertijd te beleggen. Dit brengt echter weer implementatieproblemen met zich mee. Als er in vijf factoren wordt belegd, moeten er vijf fondsen worden aangekocht (met vijfmaal transactiekosten) en wat te doen als de weging onderling tussentijds enorm gaat afwijken?

Om deze problemen op te lossen, komen er nu steeds meer multifactor-ETF’s (en –indexfondsen) op de markt. De meeste van deze ETF’s focussen zich op een combinatie van de eerder genoemde vijf factoren. Dit geeft weer een keuzeprobleem: de multifactor-ETF’s kiezen zo allemaal hun eigen mix van factoren en kunnen daarom in de loop der tijd ook weer verschillen laten zien. Eigenlijk verschillen multifactor-ETF’s weinig van actief beheer. In het laboratorium wordt eerst een gestructureerd beleggingsproces uitgedacht, vervolgens wordt er een index geconstrueerd en tot slot wordt daar een ETF op gebouwd.

Opvallende ontwikkelingen

We zien daarbij twee opvallende ontwikkelingen. Van origine actieve beheerders als Goldman Sachs en J.P. Morgan betreden deze markt om in te haken op de ETF-hype. Maar ook de traditionele passieve beleggers als Vanguard, die tot voor kort alleen de marktkapitalisatie gewogen indices als heilig beschouwden, hebben de factor-ETF’s ontdekt. Vanguard lanceerde in februari in een keer een range van zes factor-ETF’s, vijf single factor-ETF’s en één multifactor ETF. Vanguard rechtvaardigt deze stap (voorwaarts?) met het argument dat ze de zaken anders aanpakken dan de andere factor-ETF’s.

In beleggersmagazine Barron’s zegt Antonio Picca, hoofd van Vanguard’s factorstrategieën, dat Vanguard meer spreidt over veel meer namen in de index (en dus ETF), ook over de mid- en smallcaps-segmenten. Ook worden er geen maximale sectorwegingen gebruikt. Dat laatste is volgens Picca ook niet nodig omdat in een holistische benadering van de markt (ook met de kleinere aandelen) sectordominantie veel minder snel opspeelt. Tot slot zet Vanguard in op de laagste kosten, daar waar veel factor-ETF’s duurder zijn dan marktkapitalisatie gewogen ETF’s.

 

iShares Edge MSCI Europe Mulltifactor UCITS ETF
De multifactor-ETF van iShares voor Europa gebruikt vier factoren om outperformance te boeken ten opzichte van de gewone MSCI Europa, namelijk door blootstelling te genereren naar waarde (value), momentum, kleinere aandelen (size) en kwaliteit (quality). Het gebruikt daarvoor een complex algoritme (optimizer) om de blootstelling naar ieder van deze vier factoren zoveel mogelijk te maximaliseren. Hoewel de meeste ETF’s aan het predikaat simpel voldoen, geldt dit niet voor deze ETF. Globaal wordt eerst binnen iedere sector gekeken naar de best scorende aandelen op basis van drie gelijkgewogen waarde- en drie eveneens gelijkgewogen kwaliteitsmaatstaven. Vervolgens wordt ook het twaalf- en zesmaandsmomentum gemeten. Daarnaast wordt er nog een alternatieve, derde momentum-maatstaf meegenomen, de zogeheten ‘historische alpha’; dat is het tweejaarsrendement gecorrigeerd voor risico. De optimizer kijkt ook naar de correlaties tussen de aandelen: hoe lager de correlatie van een aandeel met andere aandelen, hoe groter het potentiële gewicht. Door ook het midcapsegment mee te nemen, wordt de size-anomalie bespeeld. Op dit moment heeft het VK het grootste gewicht in de index (30-35%), gevolgd door Frankrijk (20-25%) en Zwitserland (15-20%). Wat betreft sectoren zijn financials nu het grootst (20-25%), gevolgd door industrie (15-20%) en materialen (10-15%). De ETF doet het sinds de oprichting beter dan de markt. De optimizer lijkt zijn werk te doen. De Lopende Kosten Factor (LKF) van het product bedraagt 0,45%. Dat is duurder dan bij traditionele ETF’s maar wel goedkoper dan bij vergelijkbare producten. Er zijn twee concurrerende producten. Allereerst is dat de Lyxor J.P. Morgan Multi-factor Europe ETF. Die geeft blootstelling aan kwaliteit, waarde, size, low bèta en momentum, op basis van vijf gelijkgewogen singlefactor-ETF’s, tegen een LKF van 0,40%. Daarnaast is er de Source Goldman Sachs Equity Factor Europe ETF. Deze geeft blootstelling aan kwaliteit, waarde, size, low bèta en momentum waarbij ieder individueel aandeel een maximaal gewicht heeft van 0,5%.

Tags

Alert

Selecteer de onderwerpen waarover u een Beleggers Belangen alert wilt ontvangen. Uw selectie wordt direct bewaard en kunt u op ieder moment zelf aanpassen.

Verder lezen?

Dit artikel kunt u alleen lezen met een (proef)abonnement. U leest Beleggers Belangen vanaf €1,50 per week. Wat krijgt u zoal:

  • Concreet en onafhankelijk beleggingsadvies
  • Direct toepasbare beleggingsinformatie
  • Succesvolle voorbeeldportefeuilles