Het primaire renterisico

Economen huiveren bij het idee dat de rente weer zal stijgen. Los van het huidige economisch klimaat, dit is per definitie een weinig opbeurend vooruitzicht voor de houders van obligaties en vooral voor aandelen, toch?

De rente is het grootste risico voor beleggers. Zij volgt de ontwikkeling van de inflatie. Als de inflatie stijgt, stijgen de rentevoeten en omgekeerd.

Wanneer de rente stijgt, stijgen ook de financieringslasten. Bedrijven genereren hierdoor minder winst en de eindconsument houdt minder geld over om diensten en goederen te kopen, waardoor de winst van het bedrijfsleven verder wordt uitgehold.

Bij het renterisico wordt een onderscheid gemaakt tussen primair en secundair risico. Het begrip primair risico verwijst naar het ondervinden van nadeel door een rentestijging en het niet profiteren van rentedalingen wordt secundair risico genoemd.

Het renterisico is af te dekken. De belangrijkste instrumenten hiervoor zijn renteswaps, forward rate agreements en opties, maar ook zij kosten geld en gaan dus eveneens ten koste van de winst.

Naast inflatie wordt de hoogte van de rente ook bepaald door het debiteurenrisico. Afhankelijk van de risicoperceptie van de markt betaalt de emittent een premie bovenop de risicovrije rente. Obligatiehouders lopen het risico dat de uitgevende instelling niet aan zijn schuldverplichtingen kan voldoen. Hoe risicovoller beleggers een bedrijf inschatten, hoe lager de kredietwaardigheid en des te groter de kredietopslag, oftewel de rentevergoeding die aan de kopers van de obligaties wordt betaald.

Zodra de kans toeneemt dat een bedrijf niet meer aan zijn betalingsverplichting kan voldoen, daalt de prijs van de obligatie en neemt het rendement toe. Die ijzeren wet geldt ook voor staatspapieren. Geen normaal denkend mens koopt nog obligaties van de Griekse overheid. De langetermijnrente bedraagt inmiddels ruim 25 procent. Ook Spaanse en Italiaanse staatsobligaties zitten op de schopstoel. De Spaanse tienjaarsrente flirt met het alarmpeil van zeven procent en de Italiaanse zit net boven de zes procent.

Er is momenteel een vlucht naar het beste onderpand, naar zekerheid. De staatsobligaties van Duitsland en Finland betalen op hun tienjaarsleningen amper anderhalf procent rente, Nederland 1,7 procent. Dit zijn historisch lage niveaus. Ook in Zwitserland en in de Verenigde Staten zijn de rentevoeten met 0,5 respectievelijk 1,6 procent historisch laag.

Dit houdt in dat de sterke (euro)landen vrijwel gratis kunnen lenen. In combinatie met de inflatie is de reële rente negatief. Een situatie dat zich al voordoet bij de kortere looptijden en brengt beleggers in staatsobligaties in een moeilijk parket. In feite offeren zij hun rente op om hun kapitaal veilig te kunnen stallen.

Maar met dergelijk lage rendementen kun je je geld beter op een spaarrekening zetten. Als grootbelegger word je dan wel geconfronteerd met het feit dat je inleg maar ten dele beschermd is en als je in obligaties zit, loop je het risico dat de rente weer gaat oplopen met als gevolg dat de koersen van je obligaties omlaag denderen.

De vlucht naar zekerheid is nog niet ten einde waardoor ook goedgeleide bedrijven goedkoop geld kunnen lenen. In de sterke landen zal de reële rente nog enige tijd negatief blijven, maar er komt een dag dat de rentevoeten weer omhoog gaan. Zij staan immers historisch laag. Dat wil geenszins zeggen dat de bodem bereikt is. Wat laag staat, kan altijd nog lager.

Economen huiveren bij het idee dat de rente ooit weer zal gaan stijgen. Niet zozeer vanwege het huidige economisch klimaat, maar vooral vanuit de wetenschap dat rentestijgingen het winstvermogen van bedrijven aantast en beurskoersen onder druk zet.

Beurzen zijn een afspiegeling van de economie en reflecteren dus in zekere zin ook het consumentenvertrouwen. En als de eindconsument zijn beurs gesloten houdt, hetzij door de slechte economie, hetzij door de dalende aandelenkoersen loopt de economie averij op.

Rentestijgingen zijn niet altijd een synoniem van dalende beurskoersen. Tussen 1994 en medio 1995 verhoogde de Federal Reserve de basisrente met 300 basispunten. Die rits renteverhogingen werd gevolgd door een bull-run. Een periode van vijf jaar waarin de S&P 500 verdrievoudigde.

Of wat te denken van de gigantische rentestijgingen in de jaren zeventig? De S&P 500 speelde tien jaar lang catenaccio met het niveau van honderd punten. Het is geen grote stijging, wel een zijwaartse periode van tien jaar waarin de Amerikaanse beursgraadmeter nooit hard omlaag is gegaan. Hetgeen aantoont dat je met individuele aandelen toch geld kon verdienen. Tenzij je een indexbelegger bent, het gaat om de aandelen; niet om het beursgemiddelde.

HIP
abonneer op de Nieuwsbrief

LEES OOK

Extreem goedkoop

S&P 500: 1.600, 1.700 of 1.900?

11x Verkopen & 33x Kopen