Risicopariteit

De markten zijn erg onvoorspelbaar. Als je geen idee hebt wat de toekomst brengt, kun je beter diversifiëren. Het geld moet je echter zodanig verdelen dat ook het risico gespreid wordt. Met een evenwichtige allocatie naar risico kun je consistentere rendementen behalen.

Het concept van risicopariteit is onder institutionele beleggers in de Verenigde Staten wijdverbreid en het idee wint ook in onze contreien terrein.

Het idee achter het concept is uiterst eenvoudig. Het risico van een beleggingsportefeuille moet over de verschillende vermogenscategorieën gelijk worden verdeeld. Niet meer en ook niet minder dan dat.

Een traditionele vermogensopdeling van 60 procent obligaties en 40 procent aandelen eindigt al snel in een risicoverhouding van 85/15, omdat aandelen nu eenmaal risicorijker zijn dan obligaties.

Bij een evenwichtige spreiding van het risico past evenwel een vermogensopdeling van 13/87. Natuurlijk gaat een dergelijke allocatie ten koste van het verwachte rendement.

Het verlies is echter minder uitgesproken dan de vermogensopbouw doet vermoeden. De Amerikaanse specialist in hefboomfondsen GMO stelt dat het tussen 1980 en 2009 het rendement op jaarbasis met twee procentpunt afroomde, in concreto van elf naar negen procent.

Ook in de afgelopen vier jaar zijn de resultaten indrukwekkend. De risicopariteitsfondsen van Aquila Capital uit Duitsland realiseerden jaarrendement tussen de acht en tien procent. Met een evenwichtige allocatie naar risico kunnen consistentere rendementen worden behaald.

Punt van kritiek

Diversificatie betekent het spreiden van risico. Met spreiden kun je de efficiëntie van beleggingsportefeuilles vergroten. Door het risico te verlagen of door het verhogen van het verwachte rendement. Over het begrip rendement bestaat weinig discussie, maar wat heet risico? Daarover zijn de meningen verdeeld, ook onder experts.

Voor de meeste beleggers betekent het volatiliteit, maar volatiliteit is geen synoniem voor risico. Het verlies aan kapitaal is een betere definitie. Immers als je je inleg volledig kwijt speelt, kun je niet meer beleggen. Het spel is dan over en uit.

Bridgewater, zoniet de grootste beheerder van hefboomfondsen ter wereld, besteedt daarom nadrukkelijk aandacht aan de verliesopbouw van beleggingsconcepten. Als het echt tegenzit en de koersdalingen zich opstapelen, dan is het opgelopen verlies soms dermate groot dat de gekozen strategie niet meer kan worden uitgevoerd, zeker als het concept gefinancierd is met vreemd vermogen.

Bij GMO, die andere grote partij, stelt men dat onverwachte uitkomsten de enige ware bron van risico is. Daartegen kun je je moeilijk wapenen. Om een integraal verlies van kapitaal af te wentelen, kun je beter kiezen voor ondergewaardeerde aandelen, rekening houden met het economische klimaat en vooral niet beleggen met geleend geld. Want zelfs LTCM, dat nota bene geleid werd door Nobelprijswinnaars, ging daaraan ten onder.

Verschillende opbouw

Zowel Bridgewater als GMO vertrouwen op risicopariteit. De manier waarop beide partijen invulling geven aan de vermogensopbouw verschilt echter wezenlijk.

Bij Bridgewater bestaat de kern uit een bèta-compartiment. Ongeacht wat de uitkomst van de economische toekomst zal zijn, zetten zij een kwart van het vermogen in op economische groei, een kwart op stijgende inflatie, een kwart op krimp en het resterende deel op een daling van de inflatie. Maar naast het bèta-compartiment anticiperen zij ook op de economische ontwikkelingen. Zij maken hierbij gebruik van vreemd vermogen, tot factor 2,5. Hun alfa-strategieën zijn daarop geënt.

Bij GMO heeft men weinig op met bèta-strategieën en kiest men resoluut voor alfa. Over hoe zij in het huidige klimaat invulling geven aan hun alfa hult ment zich in stilzwijgen, wel is bekend dat zij voor 60 procent in cash zitten. Al een jaar lang kopen T-bills omdat zij niet zien hoe zij elders een hoger rendement kunnen scoren.

Kaartspel, geen roulette

Uit de manier hoe zij hun beleggingsportefeuilles hebben opgebouwd, blijkt dat beide partijen duidelijk verschillen in hun zienswijze waarop het verleden de toekomst voorspelt. Bij GMO stelt men alles in vraag, terwijl Bridgewater ervan uitgaat dat activa op termijn altijd een risicopremie betalen. Maar als je daarvan overtuigd bent, waarom bestaat dan de kern van je beleggingsportefeuille uit een bèta-compartiment?

Daartegenover staat dat beleggen geen roulette is, eerder een kaartspel. Bij roulette maakt het niet uit wat de anderen doen, terwijl bij kaarten de spelers ervoor kunnen kiezen om meteen hun slag te slaan, nog even te wachten, maar het kan ook zijn dat zij zitten te slapen waardoor het spelverloop voor alle partijen anders en wellicht ook suboptimaal verloopt. Als je al je kaarten inzet op alfa-strategieën, moet je als belegger wel zeker zijn dat een en ander naar wens zal ontwikkelen, dat geldt ook voor GMO.

Blik op de toekomst

Vraag is of het concept van risicopariteit in de komende jaren ook goed zal blijven doen. De voorbije jaren presteerden zij behoorlijk, wat grotendeels te danken was aan de bovengemiddelde weging aan obligaties. Als de rentevoeten dalen, stijgt immers de waarde van obligatieportefeuilles.

Nu dat de rente historisch laag is, dringt zich de vraag op of het concept niet averechts zal werken. Immers van zodra de rente stijgt, daalt de waarde van obligatieportefeuilles. En in de regel ook de koersen van aandelen, tenzij de inflatie oploopt. Naast grondstoffen bieden aandelen bescherming tegen inflatie.

Risicopariteit mag dan wel geen perfecte strategie zijn, maar als je goed nagedacht hebt over de zwakke punten kun je met een evenwichtige allocatie naar risico wel consistentere rendementen behalen.

LEES OOK

Aandelen met actie

In een uur naar AEX-succes

Tien oranje raven