Niettegenstaande beleggers voornamelijk geïnteresseerd zijn in
het kopen van de winnaars van morgen ontwikkelden Daniel Beneish en
Craig Nichols een raamwerk waarmee beleggers kunnen zien of een
aandeel op de markt achter zal blijven of mogelijk zelfs het
slachtoffer wordt van een forse koersdaling.
De hoogleraars financiële verslaggeving met als speerpunt fraude
presenteren in Identifying Overvalued Equity een raamwerk, de
O-score genaamd, dat bedrijven beoordeelt op slechts vijf punten en
een jaar van tevoren aangeeft of er voor het betrokken aandeel
onheil dreigt.
Het raamwerk richt zich op overgewaardeerde aandelen, vandaar de
letter O in de O-score. Het loopt van nul tot en met vijf,
waarbij er strafpunten worden gegeven voor precaire situaties als
gevolg van misplaatst optimisme inzake de toekomstige rentabiliteit
of als het bedrijf fusies en bedrijfsoverdrachten financierde met
aandelen.
De vijf criteria zijn als volgt:
a) Bestaat het vermoeden dat het management een
te hoge winstverwachting heeft afgegeven? Dan koesteren
aandelenanalisten en door hen beleggers te hoog gespannen
verwachtingen, die niet of nauwelijks te overtreffen zijn.
b) Is er sprake van hoge omzetgroei? Beleggers zijn telkens weer verrast als blijkt dat bedrijven hun groei niet hebben kunnen vasthouden.
c) Is de operationele kasstroom in verhouding tot het balanstotaal laag? Vaak bieden de aandelen van bedrijven met lage operationele kasstromen een laag rendement.
d) Was het bedrijf in de voorbije vijf jaar betrokken bij een fusie of een overname? Acquisities leveren in de beginfase zelden een positieve bijdrage aan de nettowinst. Meer nog het overgrote deel van de fusies en overnames mislukt doordat de zachte kant wordt veronachtzaamd.
e) Heeft het bedrijf in de voorbije twee jaar
buitensporig veel aandelen uitgegeven? Managers geven bij
voorkeur geen nieuwe aandelen uit als zij denken dat de aandelen
van hun bedrijf ondergewaardeerd zijn. Het liefst van al
kopen zij dan hun eigen aandelen in.
Is het antwoord op al deze vragen positief, dan krijgt het bedrijf
vijf strafpunten en luidt de O-score vijf. De aandelen van de
bedrijven die aan al deze voorwaarden voldoen, presteren bijna 27
procentpunt ondermaats. Wanneer de O-score uitkomt op vier,
dan blijft het aandeel in de regel acht procentpunt achter op de
markt. Zelfs bij de bedrijven die een drie scoren, is er
sprake van een ondermaats rendement.
Ook interessant om weten is dat de kans op verlies aanzienlijk
is. Drie kwart van de Amerikaanse aandelen die tussen 1993 en
2004 een vijf scoorden, was voorbestemd om achter te blijven.
Van de fondsen met vier strafpunten lopen twee op de drie een
achterstand op en bij de aandelen die een drie scoren is dit zes op
tien. In slechts één van de twaalf onderzochte jaren sloeg de
O-score de plank mis. En de aandelen met een 0-score?
De aandelen met een nul-score doen het door de bank genomen 4,5
procentpunt beter dan de markt.
De Nederlandse aandelen die u volgens de O-score niet moet hebben,
zijn: ArcelorMittal, Randstad, Swedish Automobile en Ten Cate, elk
van hen scoort een vijf. Geen enkel aandeel scoort een
nul. Maar ja, het raamwerk is niet bedoeld om de toppers
eruit te halen, maar het wilt u behoeden voor miskopen.



