De eerste is dat de rijkere EU-landen hun troefkaarten tegen de borst willen houden. Zij willen niet opdraaien voor het gedrag van de armere landen die hun financiële zaken in de publieke en particuliere (bank)sector niet goed hebben geregeld. Het gaat hierbij niet alleen om de ministers van Financiën maar ook om de publieke opinie van de rijkere EU-landen die negatief denkt over meer steun aan de armere landen.
De tweede is dat de ministers stilletjes hopen dat de rust die soms in de financiële markten optreedt, bijvoorbeeld omdat één of enkele emissies van staatsschuld zonder grote problemen zijn gelukt, van blijvende aard zal zijn en dat de tijd de problemen zal oplossen.
De twee mechanismen zijn vanzelfsprekend met elkaar verbonden, want het is de tegenzin die bij het eerste mechanisme optreedt die de oorzaak is voor het steeds weer uitstellen van maatregelen zoals die in het tweede mechanisme optreedt. Hoe is deze patstelling te doorbreken?
Volgens mij is het grootste probleem dat de rijkere landen er niet zeker van zijn dat als zij geld of garanties verstrekken voor landen in nood, de daarmee geholpen regering effectief zal zijn bij het oplossen van haar problemen. De oplossing die daarvoor is gekozen, is om het IMF erbij te halen voor het voorschrijven van beleidsmaatregelen, zoals deze dat van oudsher doet. Maar de bemoeienis van het IMF gaat niet verder dan de herstelperiode. Voor de periode erna zullen de EU-landen ook disciplinerende maatregelen moeten nemen voor elkaar.
Daar wringt de schoen, want bij de vorming van de EU waren de EU-landen niet bereid elkaar boetes op te leggen bij overschrijding van de wel in het Stabiliteitspact opgenomen regels over maximale begrotingstekorten en staatsschuld. Hier vonden praktisch alle landen elkaar; de potentiële overtreders wilden geen bemoeienis wat bijvoorbeeld tot gevolg had dat Griekenland zijn gang kon gaan, en de grote landen wilden dat hen bij een eventuele overschrijding niet de les zou worden gelezen door de kleintjes. Dat was hun eer te na.
Na de totstandkoming van het garantie- en leenstelsel voor de redding van Griekenland en Ierland in 2010 bleek dat de tegenzin van de grote landen sterk is, hoezeer disciplineringsregels voor de armere landen hen ook ten voordeel kunnen zijn. Er was bij de EU-landen grotere bereidheid ontstaan om de disciplineringsmaatregelen bij overtreding van EU te verscherpen. Maar na een een-tweetje wisten Duitsland en Frankrijk die maatregelen te verzwakken.
Vooralsnog is enige rust opgetreden in de financiële markten en zijn er wel EU-plannen om de garanties voor de effectiviteit van het leenfonds te vergroten. Het lijkt daarbij waarschijnlijk dat er extra disciplineringsvoorwaarden zullen worden gepland. Mijn verwachting is echter dat als de financiële markten opnieuw het vertrouwen verliezen in de kracht van het leenfonds, de EU-landen dan pas weer snel een stap zetten (inclusief disciplinering) om de markten tot rust te brengen.
Zo wordt dan in fasen toch geleidelijk een krachtiger EU geformeerd. Of niet, want de ministers kunnen hun kaarten ook te lang tegen de borst houden zodat de financiële markten ze dwingen om maatregelen te nemen die ze juist niet wensen, zoals het afstempelen van staatsschuld en het opnieuw redden van banken die door de afstempeling in de problemen komen.



