Omdat China meer exporteert dan het importeert nemen de internationale valutareserves steeds verder toe. Eind december bedroegen zij $2847 miljard. Normaliter zou een exportoverschot tot appreciatie van de Chinese munt, de yuan, moeten leiden, maar de Chinese overheid heeft de yuan aan de Amerikaanse dollar gekoppeld teneinde de export te stimuleren.
De effecten van de vreemde valutaopbrengsten uit de export op de binnenlandse geldhoeveelheid worden gesteriliseerd door maatregelen voor de banken. Sinds midden 2010 is echter onder internationale druk wel sprake van een gecontroleerde lichte appreciatie van de yuan.
Ter medefinanciering van de economische groei werd aan leningen in december toch nog 481 miljard yuan verstrekt. Mede daardoor steeg de geldhoeveelheid (M2) die maand met 19,7% . De sterke economische activiteit heeft ook gevolgen voor de inflatie. Die is de laatste maanden aan het oplopen: in september bedroeg zij 3,6%, in oktober 4,4% en in november 5,1%. Een oplopende inflatie wordt door de Chinese overheid als ongewenst gezien.
Daarom worden tegenmaatregelen genomen die ook effecten hebben op de aandelenkoersen. Want het wonderlijke is dat de Shanghai Composite-index in het groeiklimaat van 2010 met 11% is gedaald en daarmee tot de slechtst presterende aandelenindices behoorde. Zo steeg de Hang Seng-index van Hongkong met 5% en de S&P 500-index met 13%
De Chinese overheid zet ter bestrijding van de inflatie grofweg twee maatregelen in. De eerste is de lichte appreciatie van de yuan. Bij sterilisatie van de toevoer van vreemde valuta hebben de lagere importprijzen dan een inflatieverlagend effect.
De tweede maatregel loopt via de kredietverlening door de banken. De overheid heeft in 2010 tweemaal de geldmarktrente en zesmaal de verplichte liquiditeitsreserves van de banken verhoogd. Dit zou moeten leiden tot minder kredietverlening en zo tot een lagere inflatie. Ook in 2011 zal dit beleid naar onze verwachting worden voortgezet.
Maar lagere kredietverlening leidt tot lagere groei en daarmee tot een rem op de toename van de bedrijfswinsten. Bovendien maakt een hogere rente het lenen van yuans voor het doen van beleggingen onaantrekkelijker. Het zijn deze twee effecten die volgens ons hebben geleid tot de slechte koersprestaties van de aandelen op de beurs van Shanghai.
Aangezien de verwachtingen ten aanzien van het anti-inflatiebeleid van de Chinese overheid dezelfde blijven, ligt het voor de hand om te veronderstellen dat de aandelenbeurzen van China ook in 2011 tot de achterblijvers zullen behoren. Lijnen kunnen echter lang niet altijd doorgetrokken worden. Want waarom zou juist het achterblijven in 2010 niet juist tot een inhaalbeweging in 2011 leiden?
Kijkend naar de koersbewegingen in de eerste week van 2011, is de Shanghai Composite-index met een afname van 0,6% gemeten in ieder geval opnieuw achter gebleven bij de Hang Seng-index (+3%) en de S&P 500-index (+1%). Maar zeven beursdagen (bij de S&P 500-index zes) zeggen nog niet zoveel.
Jaap Barendregt



